indisch album

150 jaar kortland de keuken links gastenboek foto's verhalen column home

De stille stammoeder

de stille stammoeder

Zij is de stammoeder van een Indo-familie, de Beijnons. Ze heet Soenijem. Jarenlang heeft zij kinderen gebaard voor mijn grootvader Theodoor Paul. Al die jaren waren zij niet getrouwd, de kinderen werden wel geëcht. In het Indië-van-toen trouwde een Indo wel met een Indisch meisje, maar niet met een Indonesische vrouw. Dat werd te min geacht, dat deed je niet. Ongehuwd kreeg oma Soenijem vijf kinderen, Marie, Jo, Jan, Willie en Christine.

Waarom is mijn opa in 1915 toch wèl met zijn Soenijem getrouwd? Ik kan het hem niet meer vragen. Maar als ik de foto bekijk die hij bij toverlicht van haar maakte, dan weet ik het. Daar, in dit verstilde beeld van de 'stammoeder' van de Beijnons, ligt de liefde van zijn antwoord. Oma Soenijem overleed in 1931, nog vrij jong (maar we weten niet wanneer ze precies is geboren). Enkele uren later overleed haar oudste dochter Marie, ook aan de cholera. Opa Theo was jarenlang ontroostbaar. Tenslotte hertrouwde hij met oma Joe, een heel kleine Indonesische vrouw.

Wat een vrolijke ogen

Links met vliegtuigje sta ik, Paul, helemaal jarig. Naast mij, ook met van die grote, vrolijke ogen, mijn roodharig nichtje Sonja en haar evenrode broer Jacky. Die liep jarenlang kaalgeschoren rond vanwege een hinderlijke huidziekte. Eenmaal genezen volgde de beloning: hij kreeg een rood-gouden krullebol die hem een halve eeuw feestelijk sierde.

vrolijke ogen

Onder de stamboom

De kinderen plus enkele nichtjes van opa Beijnon hebben zich onder de 'stamboom' van het familiehuis in het Bataviase Kemajoran verzameld. Deze straat gold als berucht, opgroeiende jongens hielden er fanatieke vechtpartijen. Op oudejaarsavond knetterden de voetzoekers, de rèntengans (ratelvuurwerk), vuurpijlen, bommen en alles wat maar knallen wilde urenlang op Kemajoran: het ging niet om mooi, maar om HARD!

onder de stamboom

Trots op zijn brommer

Aan het eind van de 19e eeuw, omstreeks 1885, bekeek opa Beijnon met enige trots zijn motorvoertuig, dat verdacht veel lijkt op een ingewikkelde, hedendaagse bromfiets."Een lawaai dat dat ding maakte!" wist opa Beijnon in 1930 nog. Er is sindsdien weinig veranderd aan die daverende motorherrie.

trots op zijn brommer

Aan de rivier

Jarenlang zwierf bosarchitect Theo Beijnon met zijn helpers rond door het oerwoud van Midden-Java. Hier rustten zij uit aan een rivier. Soms raakten zij in gevecht met houtdieven, die met blokken hardhout op hun schouder wegliepen. "Eenmaal heeft zo'n man een groot stuk djatihout bovenop me gegooid, ik heb wekenlang met een gebroken arm rondgelopen," vertelde opa Beijnon aan zijn kleinkinderen.

aan de rivier

Kijk wilde zwijnen!

In de bergen van Sindanglaja, om precies te zijn in Tjimatjan, liet opa Beijnon kleine vakantiebungalows bouwen. Hier kijkt hij met zijn familie naar de vulkaan aan de overkant, waarop hij in het bos vlak onder de bergtop tot op zijn oude dag jaagde op wilde zwijnen, gewapend met een twee- en zelfs een drieloopsgeweer.

familie

Vroeg verlovingsfeestje

Een verlovingsfeestje, aan het begin van de dag. Ik herken tante Lien met haar zwarte haar en wulpse mond, en haar moeder tante Lina, de zuinigste vrouw van onze grote familie. Uiterst rechts staat mijn vader Paul Freddie van der Put wat berustend naar 'zijn volkje' te kijken, dat hij jarenlang met vriendelijke, vaste hand langs de rand van de verspilzucht leidde. Op dit feestje zouden nog vele tientallen hongerige maar vooral dorstige familieleden en vrienden afkomen.

verlovingsfeestje

Veilig in Holland

Johanna van der Put-Beijnon, haar dochter Annemarie (10) en ik Paul (22), enkele jaren na onze aankomst in Nederland (1946). We woonden eerst in bij 'tante Troel', die haar villa aan de Haagse Sportlaan op last van de Duitsers moest verlaten. Deze stijlvolle Indische dame treurde nooit over haar huisuitzetting, ieder familielid dat uit Indië naar Nederland vluchtte, was bij haar hartelijk welkom. "Wij horen bij elkaar," zei ze dan en richtte, hoewel zij nauwelijks kon koken, altijd wat zij noemde een "armeluisfeestje" aan, waarbij zij de aardappels met liefde in haar oven liet aanbranden.

jo, meiske en paul van der put

Statige ambtenaren

Witte ambtenaren genoeg in het 'vroegere' Indië. Hier zit en staat het personeel van het gemeentehuis van Meester Cornelis voor hun statige gebouw. Het kantoor heeft een literaire geschiedenis: de meest vinnige en gevreesde Indische schrijver, Eddy du Perron, heeft hier met zijn ouders voor de tweede wereldoorlog gewoond, voordat de familie naar Europa verhuisde.

gemeenteambtenaren meester cornelis

Rond de kinderwagen

Onze kleine Indische familie op een vroege ochtend in het Malangse. Links mijn vader P.F.van der Put, werkzaam bij het gevangeniswezen, zijn vrouw Jo van der Put-Beijnon en hun eerste zoontje Paul, ook wel Pa-oel genoemd. Eén ding is zeker, het jonge paar had een prachtige kinderwagen. Vier jaar later verhuisde de familie naar Batavia, waar vader Van der Put bij de gemeente kwam te werken.

de kinderwagen

Op de blinkende motor

Deze prachtige BSA was het trotse eigendom van de ambtenaar J.Ch.K.de Bie, getrouwd met Marie Beijnon. Die hadden drie kinderen. Links Sonja, bovenop Titi, op het imposante zadel Jacky en vooraan hun Indianen-neefje Paul. De eigenaar, een kleine Indo, had enorme voeten, een prikkelbaar humeur, maar was de gulheid zelve, en niet alleen voor zijn familie. Wij, kleintjes, keken tegen hem op. Hij was een vondeling, had te weinig zorg en liefde gekregen.

BSA motor

Opa's tuin op de Poentjak

In de groene, naar rode rozen geurende voortuin van opa Beijnon, boven in de bergen aan de Poentjak-pas, staat en hurkt de familie voor de bungalow bijeen. Vanaf 1936 kwam de familie er geregeld samen, tijdens iedere vakantie. Op de avond van 31 december, bloed aan de banden vanwege het overrijden van slangen, kwamen ze in auto’s en op motorfietsen in het pikkedonker naar dit plekje, om met knallende herrie oud- en nieuw te vieren.

de tuin op de poetjak

Ultralange tennisbroeken

Tennis was een geliefde sport, toen nog in ‘lange broek’. Behalve dan bij Paul Freddie van der Put, die veel dingen ánders deed. Ik vroeg mijn vader eens, toen ik met hem onder de douche stond: “Pa, waar zijn toch al je bekers en medailles gebleven?” Het antwoord? “Ik berg ze op waar ze thuishoren, onder in de klerenkast, bij m’n sportsokken…”

Ik was, op een geweldig vrolijke manier, trots op hem.

tennis

Kaarsrechte haarscheiding

Dit is, op zijn vijfde jaar, mijn vader, de sportieve Paul Freddie van der Put, die, vanaf zijn prille jeugd, altijd een kaarsrechte scheiding in zijn bruin-blonde haar had. Hij verloor op twaalfjarige leeftijd zijn vader. En zei tegen zijn moeder: “Maatje, maak je geen zorgen. Ik ga wel werken.” Inderdaad, hij speelde het met zijn zusjes en broers klaar om hun moeder een prettige oude dag te bezorgen.

paul freddie van der put

Echte vechtvliegers

Het belangrijkste kinder- en grote-mensenfeest in Indië was vliegeren. Als klein kind was je eerste vraag: "Hoe maak ik een vlieger, een Echte vlieger, een VECHTvlieger?" Dat leerde je dan van de tuinman of djongos. Die leerde je dan om op je knie een dun stukje bamboe te slijpen totdat je er met draadjes en halfdoorzichtig papier een lichte, snel wendbare vechtvlieger van maakte. En dan de lucht in!

indische vliegers

Hoe pomp ik een voetbal op?

In het huis dat we korte tijd in Malang bewoonden was ook het clubhuis gevestigd van de sportvereniging met de deftige naam "The Corinthians". Samen met mijn moeder sta ik voor het open raam, links ons koperen naambordje.

malang the corinthians

Voor de garage in een theekist tussen de platte voetballen, tussen twee djongossen.

Met volle kracht moet ik een voetbal oppompen.

"AU! Mijn vinger!"

 

Logeren bij arme tante

Mijn tante Lina in somber zwart temidden van haar dochters, nichtjes en neefjes. Ze was een verdrietige vrouw, al jong weduwe. En wij, haar familie, vonden haar ook ongelooflijk gierig. Zij woonde in Bandoeng , een bergstad waar het in de avond behoorlijk koud werd. Als we bij haar logeerden ontdekten we dat ze nog steeds geen dekens had. Pas later bedachten wij, kinderen, dat ze gewoon geen geld had om dekens te kopen. Pas toen kregen we medelijden met haar.

tante lina

Aan boord met fladderrokken

Met fladderende, dunne lange rokken aan boord van een passagiersschip! Je kwam als meisje aan boord dankzij de vereelte vuisten van een matroos, je giechelde onophoudelijk, je kreeg glaasjes limonade, je liep slingerend de lange smalle trappen op, je voelde iets van het avontuur van het leven op een schip, daar, in de haven van Tandjong Priok. En als je wegging, die matrozenhand onder je oksel.

tandjong priok

Schoonheid Wijnkoopsbaai

De schoonheid, en de vrolijkheid van de Wijnkoopsbaai, daar, aan de zuidkust van Java. Je was onder de hoede van de grote tante, van wie je nu de naam vergeten bent, een sterke vrouw die je uit de golven sleepte als je werd meegesleurd. De ziltheid van zeewater, de woedende wind, het zachte zeezand tussen je tenen, ach, niets heerlijker dan zwalken langs de Wijnkoopsbaai. En dan, in een warong vlakbij, in een pisangblad wat geroosterde sateetjes! Adoeh, lekker sèh!

wijnkoopsbaai

Sierlijke schooljuffen

Zigeunerinnen? Ach, welnee, mijn Indische tante Zus, voluit Christine Beijnon, met aan weerszijden de meisjes Kloppert, voor de witte kalkmuur in de achtertuin, waarschijnlijk in ons huis aan de Lammerslaan in Meester Cornelis. Mijn tante leerde voor onderwijzeres, een vak dat zij tientallen jaren heeft uitgeoefend. Ze kon fantastisch mooi zwemmen, een fikse vrije slag. Jammer ook dat haar leerlingen nooit hebben geweten hoe sierlijk hun juf er dansend uit kon zien.

sierlijke schooljuffen

verhalen...

Ik, Paul van der Put, oud-journalist, maakte me bezorgd over de toekomst van 'mijn volkje', de Indische mensen, ook wel Indo's genoemd. Zouden die uitsterven, hier in Holland, in de rest van de wereld? Ik besloot een boek te schrijven, met als titel "HET BOEK DER INDO'S ". Zodat ook ánderen dan Indo's een idee konden krijgen hoe wij zo'n beetje in elkaar zitten.

Het boek verscheen in 1997 (ik was 71). De derde druk is nu vrijwel uitverkocht. Misschien wel dankzij de mening van de schrijfster Hella Haasse, die op de omslag van het Indoboek schreef: "Ik heb het in één ruk uitgelezen en er veel in herkend. Ook geeft het stof tot discussie. Het verdient aandacht!"
De voorpagina van "Het Boek Der Indo's" is een foto van mijn opa-van-moederskant Th.P.Beijnon, bosarchitect. In 56 korte verhalen over één familie, die veel op mijn eigen familie lijkt, heb ik de geschiedenis der Indo's weergegeven, vanaf hun "ontstaan" begin 17e eeuw tot in deze moderne tijd.
De kroniek vertelt over de Grote Tijgerjager en de kleine tani (landbouwer), de Njonja Besar (grote Dame) en het weeskind, de Stamvader en de kruimeldief, de eenzame Oma en het verliefde meisje. Over de groei van de Indo's tot een volkje, hun saamhorigheid in oorlogstijd, hun vlucht uit Indonesië, tot hun verstrooiing over de aarde. Vrije mensen nu, die zelfbewust hun weg zoeken.
Moet ik me nog bezorgd maken over de toekomst van Indo's. Ik krijg het idee dat er nu meer zijn dan ooit...

Schrijver en oudjournalist Paul van der Put overleed 10 november 2006. Hij werd 80 jaar oud.

webdesign inge wilkens 2009 | op alle foto's rust uiteraard een copyright | laatste update 13.09.2009